Trouw – Mag een megastal tóch, als hij duurzaam is? Noord-Brabant, de provincie met een megastallenverbod, denkt daarover na. Tijd voor een kijkje in een ‘groene’ megastal.

Forse veefabrieken, opgetrokken uit baksteen of metaal, soms met een verdieping. Nergens is de schaalvergroting in de veehouderij zo zichtbaar als in De Peel, op de grens van Limburg en Noord-Brabant. Hier woont bijna 40 procent van de Nederlandse varkens.

Martin Houben is eigenaar van één van de vijf grootste veebedrijven van ons land: Houbensteyn in de gemeente Venray. Hij houdt 20.000 vleesvarkens en 4500 fokzeugen. En hij wil groeien. Waarom? Houben lacht. “En dat vraag je aan een ondernemer?”

Hier in Noord-Limburg geen beperkingen aan de omvang van de stal. Een paar kilometer verderop, in Brabant, geldt sinds twee jaar een megastallenverbod. Maar dat staat ter discussie. Is de stal duurzaam en diervriendelijk genoeg, dan mag die straks misschien toch groter zijn dan de grens van 1,5 hectare, vertelde de Brabantse gedeputeerde Yves de Boer in Trouw. Maar hoe groen kan zo’n ‘veefabriek’ zijn?

Brabant kan inspiratie opdoen in de buurprovincie. Vrijwel alle stallen van Houben zijn groter dan 1,5 hectare. Hij heeft er tien, verdeeld in plukjes langs de Ysselsteynseweg. Hij profileert zichzelf als duurzaam en diervriendelijk. Zijn vlees heeft één ster volgens het ‘Beter Leven’-keurmerk van de Dierenbescherming.

Zijn vader begon het bedrijf 1961. Inmiddels heeft Houben 40 medewerkers, en een hoofdkantoor in een voormalige kalkoenfokkerij. Hij komt zelf nog maar twee keer per week in de stal. In een megabedrijf is ‘boer’ vooral een kantoorbaan.

Nu rijdt Houben naar zijn grootste stal, met 7400 dieren. Je ziet vanaf de straat niet dat het gelijkvloerse gebouw zo groot is. “Ik zorg dat het er voor de buren netjes uitziet, met bomen en slootjes”, vertelt hij. Houben opent de deur en wijst naar de douche, en stapel bedrijfsoveralls. Iedere bezoeker moet brandschoon naar binnen. Houben geeft zijn vleesvarkens bijna geen antibiotica meer, zodat het vlees voor de mens gezonder is. Maar des te belangrijker is het om de overdracht van dierziektes te voorkomen.

Binnen stuiven de varkens eerst naar de andere kant van hun hok. Daarna komen ze nieuwsgierig snuffelen. Deze zijn 6 maanden oud, vertelt Houben. “Volgende week zijn dit hamlapjes.” Ook hier krijg je geen indruk van de massaliteit. Het gebouw is opgedeeld in kleinere ‘afdelingen’ met een eigen deur, zodat je hooguit 300 varkens bij elkaar ziet. Iedere afdeling telt een serie halfhoge hokken, met ieder maximaal twaalf varkens.

In dit hok heeft een dier heeft een schram bij zijn snuit. Een ander dier heeft een wond achter zijn oor. “Dit komt door vechten”, erkent Houben, als hij het oor onderzoekt. “Maar als ze écht vechten, vallen er doden. Dat komt niet voor.” In deze afdeling is sinds oktober één dier overleden, door een andere oorzaak. In een naastgelegen afdeling zijn het er vijf, zo is te zien op een staatje op de deur.

Dan klinkt een pufje, als van een luchtverfrisser. Door een buizensysteem komt het natte voer van de beesten rechtstreeks in de troggen. “Helemaal geautomatiseerd”, zegt Houben. “Er komt wel elke dag iemand kijken hoe het met de dieren gaat.”

“Je zult wel vinden dat ze te weinig ruimte hebben”, zegt Houben. En later, terwijl hij met zijn voet op de betonnen vloer tikt: “Jij zult wel vinden dat ze zand of modder nodig hebben.” Zijn varkens komen niet buiten. “Binnen kun je in dierenwelzijn niet excelleren”, erkent hij ruiterlijk. “Maar we zitten straks met 9 miljard mensen op de wereld. En die willen vlees eten. Wil je al die mensen kunnen voeden, zonder dat het milieu en het landschap eraan gaan, dan moet je zorgen dat dat efficiënt gebeurt.” De biologische landbouw neemt per varken teveel ruimte in, en levert teveel uitstoot op, vindt Houben. “Wij beperken de belasting van de omgeving. Buiten kan dat niet. Het is het dilemma van dierenwelzijn versus milieu. Wij kiezen voor milieu.”

De volgroeide varkens reizen daarom niet ver: ze gaan naar een slachterij in Boxtel of Helmond. Daarnaast verkoopt Houbensteyn biggen aan Duitse bedrijven. “Ze reizen maximaal 75 kilometer”, zegt Houben. “Geen big gaat naar Polen.”

Achter de stal staat een luchtwasser, een container die bijna net zo breed en hoog is als het gebouw. Bacteriën halen de geur en giftige stoffen uit de lucht. Het apparaat heeft 2 ton gekost. Bij nieuwe stallen zijn ze verplicht, maar bij Houben niet. Toch heeft hij bijna driekwart van zijn varkens achter zo’n installatie staan. Het is een investering in zijn duurzame imago. Houben ligt goed bij de buren, de inwoners van het dorpje Ysselsteyn.

Aan de overkant van de weg wekt de boer stroom op met zijn eigen biovergister. Een shovel tilt een lading kaf op, een restproduct van koren dat met de varkensmest wordt vergist. Houben wekt energie en warmte op voor zijn eigen bedrijven, en levert de rest aan een energiebedrijf. De boer is open: het gaat hem om een gezond bedrijf, niet om de planeet. De vergister maakt hem niet rijk, maar hij kan zo wél goedkoper van zijn mest af. Wat na vergisting overblijft, exporteert hij naar Duitsland.

Zo runt hij ook een eigen voerfabriek. Van zijn voerbrij komt 90 procent van schillen, frietjes en andere resten uit de voedingsmiddelindustrie en landbouw. Dit natte voer komt vaak uit het westen van het land. Het is milieuvriendelijker dan gedroogd voer. Volgens een onderzoek van Blonk Milieuadvies is de uitstoot van Houbensteyn per kilo vlees minstens 22 procent lager dan gemiddeld in Nederland – ook lager dan die van biologische landbouw.

“Dit kun je alleen doen als je op deze schaal werkt”, zegt Houben. “Innovatie komt met schaalvergroting. Je moet je investering kunnen betalen. Brabant heeft zichzelf in de vingers gesneden met het megastallenverbod. Dat werkt innovatie tegen.”

Met een compagnon werkt hij aan een plan voor een nog grotere stal bij Grubbenvorst, waar hij nog eens 20.000 vleesvarkens wil houden. Een ‘gigastal’, volgens omwonenden, die er massaal tegen te hoop lopen. Daar wil Houben het nog duurzamer aanpakken, met zonnepanelen op het dak. Ook hier wil hij werken volgens de regels van ‘beter leven’, al kan hij het keurmerk niet krijgen. De Dierenbescherming hanteert een maximum van 7.500 dieren per locatie. Een echte megastal kan nooit diervriendelijk zijn, vindt de organisatie. “Absurd”, vindt Houben dat.

En zijn groene ambities hier? Streeft hij naar meer ‘beter leven’-sterren? Meer luchtwassers? Nee. “Mijn doel is een boterham verdienen. Ik heb een verantwoordelijkheid voor 40 werknemers. Twee sterren is met uitloop. Dat is voor ons niet haalbaar”, reageert Houben.

Hij opent de deur van een stal met zeugen met biggetjes. Een zee van varkens en ijzer. De dieren hebben aparte ligboxen, maar kunnen uitlopen naar een gezamenlijk hok. “Voor de burger ziet dit er natuurlijk niet uit, al die hekken”, zucht Houben. “Er zit teveel doorgeschoten emotie in dit debat. Bestuurders moeten daar doorheen prikken.”

Niet gecastreerd, wel de staart eraf

Zeugen en vleesvarkens in Houbensteyn leven in groepshokken, en hebben ieder minstens één vierkante meter ruimte. Mannetjes worden niet gecastreerd. Het bedrijf heeft één ‘beter leven’-ster van de Dierenbescherming.

De ene ster biedt varkens een minimum aan welzijn, vertelt Sjoerd van de Wouw van Wakker Dier. Varkens vechten nog steeds, al is het misschien iets minder. “Het gaat om de hiërarchie”, legt Van de Wouw uit. “Varkens moeten dieren hoger in de hiërarchie uit de weg kunnen gaan. In zo’n hok lukt dat niet goed. Dieren met echte verwondingen worden meestal apart gezet, dus die zie je niet”, zegt Sjoerd van de Wouw.

Varkensboeren knippen vaak de staart van varkens af, om te voorkomen dat dieren elkaar daar bijten. Het stompje dat overblijft is uiterst pijnlijk, omdat er veel zenuwuiteinden zitten. Houbensteyn knipt de staart niet volledig af, maar laat een stukje zitten. Dit is iets minder pijnlijk, maar niet veel, stelt Van de Wouw.

De organisatie ageert fel tegen megastallen. Brand en dierziekten maken veel meer slachtoffers, als er veel dieren bij elkaar zitten, stelt Wakker Dier. De enige oplossing voor het milieu is minder dieren houden, niet meer, vindt de organisatie. Nederland zou de strijd om goedkope vleesproductie bovendien nooit kunnen winnen van landen als Polen. We moeten ons specialiseren in kwaliteit en dierenwelzijn, redeneert Wakker Dier.