Het was een Sympathiek Initiatief. Een plek waar iedereen kleding en ander spul kon afleveren voor vluchtelingen. Ik ging er heen om er voor de krant een reportage over te schrijven. Het verhaal tekende zich al af: een onschuldig feel-good artikel over gulle gaven en goede bedoelingen.

Ter plaatse was een persvoorlichter van de landelijke organisatie aanwezig, om de opening in goede banen te leiden. Ik was de enige journalist, dus had ze alle tijd om mij in goede banen te leiden. Helaas was ze een persvoorlichter van het zenuwachtige type. Ze leek me bij voorbaat te wantrouwen. Haar collega had aan de telefoon al teveel gezegd, meldde ze me meteen toen ik binnenkwam. Of ik dat alsjeblief niet in de krant zou gebruiken.

Het was het begin van een moeizame ochtend. Waar ik uit was ontspannen praatjes met vrijwilligers, was zij uit op – tja, op damage control. Waarom, vraag ik me nog steeds af. Het ging immers om een Sympathiek Initiatief. Maar zij week nauwelijks van mijn zijde, klaar om in te grijpen zodra een medewerker ook maar iets zei dat mogelijk niet helemaal strookte met de communicatiestrategie. Kwam iemand net een beetje los, dan onderbrak zij het gesprek, maakte de woorden van de vrijwilliger af en boog ze om in haar eigen verhaal – met zo min mogelijk kraak of smaak.

Na drie kwartier vond ze het welletjes. “Heb je het zo?” Vroeg ze. Ze zou het, voor ik weg was, in totaal vier keer vragen.

Aan haar, en alle andere zenuwachtige persvoorlichters van dit land: mag het een tikje ontspannener? Wedden dat dat niet alleen mijn artikel, maar ook jullie boodschap ten goede komt?